- Gezondheidszorg
- Riezvi Jessurun volgt opleiding in Nederland
- Chander Mahabier lobbyt in Nederland voor operaties in Suriname
- Tekorten zijn nijpend
- Jessurun ziet verschillen en overeenkomsten
- Cultuurspecifieke zorg in Nederland
- Nierpatiënt Knott
- Cijfers en centen
- Brain drain
- Soms draai ik twee operaties tegelijk
- Hoe nu verder?
- Onderwijs
- Ellen-Rose Kambel pleit voor tweetalig onderwijs in Suriname
- O'dany Amelo komt naar Nederland voor ontwikkeling
- Les slavernijverleden in het basisonderwijs Nederland
- Dekolonisatie van het onderwijs in Suriname
- Survival of the fittest
- Het n-woord
- Suriname loopt leeg
- Genekt door tekorten
- Onderwijs in Suriname rommelt
- Financiën
- Rosemary Samadhan wil compensatie leed contractarbeiders
- Patrick Brunings werkt aan olierijke toekomst Suriname
- Europese huurprijzen drijven woningnood Suriname op
- Moneytransfers zijn van levensbelang
- De rinkelende kassa's van Suri-Change
- Nederlands ontwikkelingsgeld in Suriname
- Heerlijk, helder wingewest
- Herstelbetalingen doorwerking slavernijverleden
- Leren van fouten uit het verleden
- Familierelaties
- Diana Vlet pleit voor educatie voor Inheemsen
- Rakesh Kanhai waakt voor culturele roofbouw
- Grootmoeder en kleinzoon over hun band met Suriname
- Eveline Monsanto over identiteit, familie en de waarde van weten
- Dood Bouterse opent nieuwe deuren voor Nederland
- Kleine ondernemers maken Suriname groot
- Het resultaat van vijf jaar onderzoek
"Ik heb meer hoop in Suriname dan in Nederland"
Grootmoeder en kleinzoon over hun band met Suriname
Tekst: Jamila Meischke

Damion Thakoer en zijn grootmoeder Asambhawatie Thakoer-Chentasingh
Foto: Damion Thakoer
Damion en zijn oma Asambhawatie, twee werelden, twee generaties, verenigd door een gedeelde geschiedenis. Waar Damion (29), geboren en getogen in Nederland, droomt van een toekomst in Suriname, blikt zijn oma (81) terug op een leven dat ze zorgvuldig heeft opgebouwd in Nederland. Damion: “Ik ben hier geboren. Ik heb een witte Nederlandse moeder, maar ik voel de afstand tot de witte Nederlandse samenleving.”
Suriname viert dit jaar zijn vijftigjarige onafhankelijkheid van Nederland. Sindsdien zijn zowel Suriname als Nederland onherkenbaar veranderd. Asambhawatie Thakoer-Chentasingh (81) kwam in 1978 op zoek naar een beter leven naar Nederland. Haar kleinzoon Damion (29), eind jaren negentig geboren in Veldhoven, droomt juist van een toekomst in Suriname. Zijn oma “mist Suriname niet meer zo”, zegt ze.
Damion Thakoer, fotograaf, bezoekt zijn adjie, de moeder van zijn vader, bijna iedere dag. Dat begon toen hij rond zijn negentiende zijn eerste woning kreeg. Dat was een studio op loopafstand van het huis van zijn grootouders in Eindhoven. “Ik ging bewust daarheen, omdat ik meer van de cultuur wilde meekrijgen”, vertelt hij in de woonkamer van zijn oma. Zijn Nederlandse moeder en in Suriname geboren vader gingen uit elkaar toen Damion acht was. Hij bleef bij zijn moeder wonen. “Ik wilde meer van de taal meekrijgen. Hindostaans kan ik nog niet zo goed”, zegt hij.
Zij: “Hij verstaat wel veel.”
De opa en oma van Asambhawatie Thakoer-Chentasingh kwamen na de definitieve afschaffing van de slavernij in Suriname als contractarbeiders vanuit India naar Suriname. Tussen 1873 en 1916 maakten ruim 34.000 mensen die oversteek. In Suriname werden ze onder valse voorwendselen gedwongen om op plantages te werken als alternatieve arbeidskracht voor de tot slaafgemaakten. Asambhawatie vertelt dat veel Indiërs al tijdens de lange overtocht op de boot overleden.
Hij: “Ik weet dat je een officieel document hebt liggen, volgens mij het reisdocument, hoelang het heeft geduurd van de boot. Vorig jaar heb ik het nog gezien.” Het document wordt niet gevonden.

Asambhawatie: "Ik was een beetje vooruitstrevend".
Foto: Damion Thakoer
Acasia Batasia, zo heette Asambhawatie’s oma. Maar veel leerden haar ouders niet over de reis van hun familie vanuit India. “We hebben het in geschiedenisboeken gelezen”, vertelt ze.
Het leven in Suriname was zwaar. Asambhawatie groeide op in Kroonenburg, een voormalige koffieplantage in het Commewijne-district. De familie was teleurgesteld dat haar moeder een meisje kreeg. En daarna nog één. “Ze wilden alleen jongens hebben”, zegt ze daarover. “Meisjes werden aan hun lot overgelaten, jongens werden opgetild en kregen liefde”.
“Ik heb een hele andere opvoeding gehad”, reageert Damion. Hij legt uit dat die meer Nederlands was dan Hindostaans. Na de scheiding van zijn ouders zag Damion zijn Hindostaanse vader om de week en in het weekend. Maar de “basis normen en waarden” kreeg hij wel mee. Veel met familie zijn, netjes en beleefd zijn, bij binnenkomst iedereen groeten. “Ik ging vergelijken”, zegt hij. “Ik zag dat het hier altijd gezellig was. Er was altijd lekker eten.”
Zij vult aan: “Contacten. Al zijn mensen uit elkaar, toch houd je contact.”
Zijn vader wilde Damion en zijn broer de taal niet meegeven. Zij onderbreekt: “Wij spraken geen Hindostaans in huis. Mijn jongste dochter was drie toen ze hier kwam. Die ging alleen maar Nederlands antwoorden als ik Hindostaans praatte. We dwongen ze niet om het te spreken.”
Hij: “Adja [vader van vader] vond het wel belangrijk, hij heeft kaka [broer van vader] les gegeven.”
Asambhawatie groeide op tussen verschillende bevolkingsgroepen in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo. “We waren één familie. We woonden op een groot erf en speelden samen spelletjes”, zegt ze. Ze sprak Sranantongo, een beetje Engels en Nederlands. Maar haar “eigen taal” beheerste ze niet. Sarnami Hindustani, zoals de taal heet die door Hindostanen in Suriname wordt gesproken, beviel haar niet.
Van haar man moest ze “woordje voor woordje” Sarnami leren. Hij deed meer met het Hindoeïstische geloof. Hij bad en haalde beeldjes in huis. Als een kind werd geboren, werd het kaalgeschoren. Verder was Asambhawatie zelf niet met rituelen bezig. “Eén keer in de week wilde mijn man vegetarisch eten. Maar hij dwong mij niet. Hij wist dat ik in de stad was opgegroeid.”
“Het is zeker wenselijk dat er meer specialisten komen op vrijwel elk gebied,” zegt Vreden. “Je kunt investeren in het verdrievoudigen van het aantal specialisten in Suriname, maar dan moet je hopen dat de specialisten die geen werk vinden in Paramaribo op eigen initiatief in de andere districten gaan werken. Het kan ook zijn dat ze naar het Caribisch gebied verdwijnen, daar zijn we niet mee geholpen”, vindt Vreden, die in het opleiden van eigen specialisten geen prioriteit ziet.
Naar Nederland
Een Surinaamse basisarts die zich wil specialiseren, moet verplicht voor zijn of haar vervolgopleiding naar het buitenland. Vanwege de taal, geschiedenis, vergelijkbare opleidingsprogramma's en kwaliteit van de gezondheidszorg kiezen de meeste voor Nederland. Afhankelijk van de soort specialisatie moet een arts in opleiding voor één tot maximum vier jaar naar het buitenland.
In 2012 trok Punwasi naar Nederland om zich te specialiseren in nefrologie, een opleiding van zes jaar waarvan de laatste twee jaar in Nederland. De eerste vier jaar van deze opleiding kon Punwasi in Suriname volgen, maar voor het behalen van enkele specifieke opleidingsnormen moest hij naar het buitenland. Dat geldt voor alle specialisatieopleidingen. In het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam kreeg Punwasi niet betaald voor zijn werk, in tegenstelling tot zijn Nederlandse collega's in opleiding. Voor wie vier jaar naar Nederland gaat, kunnen de verblijfskosten oplopen tot zo'n 100.000 euro. De hoge kosten kunnen jonge artsen ontmoedigen om aan een specialisme te beginnen, erkent Vreden. “De betaling voor Surinaamse artsen in opleiding in Nederland is nog niet centraal geregeld. Sommige ziekenhuizen nemen het voor hun rekening, andere niet. We zijn daarover aan het praten om dat eventueel centraal te structureren”, aldus Vreden. Zie Surilines artikel Riezvi Jessurun volgt opleiding in Nederland.
De uitwisseling met Nederland is historisch gegroeid en constant in ontwikkeling, vervolgt hij. Voordat Suriname in 1969 een Faculteit der Medische Wetenschappen kreeg, was er alleen een geneeskundige school. “Om arts te worden moest je sowieso voor de volledige studie naar Nederland.”
We zijn er absoluut nog niet aan toe om
de opleidingen volledig in Suriname te verzorgen
Naarmate meer artsen na hun opleiding terugkwamen ontwikkelde de geneeskunde in Suriname zich tot een hoger niveau. “Sommige artsen specialiseerden zich ook in Nederland, en zo kregen we specialisten in het land en werd het mogelijk om een deel van de opleiding hier te doen. We werken eraan om in de volledige opleiding te voorzien, maar dat gaat toch nog wel even duren”, zegt Vreden. Bovendien heeft de opleiding in Nederland ook zo haar voordelen.
Niet alle medische ingrepen, technieken en methoden om een ziekte of probleem te kunnen vaststellen kunnen worden toegepast in Suriname. “Met een opleiding in het buitenland leren onze artsen niet alleen dat die mogelijkheden wel bestaan, maar ze leren de technieken ook beheersen. Onze specialisten voldoen daardoor aan internationale eisen. Eenmaal terug in Suriname zullen ze er wellicht naar streven om die techniek ook hier mogelijk te maken”, hoopt Vreden. Een eigen specialisten opleiding in Suriname betekent nu nog inleveren op de kwaliteit van Surinaamse artsen.
Asambhawatie leerde haar man kennen bij een kleermakersbedrijf in Suriname. “Ik was een beetje vooruitstrevend”, zegt ze. Na de onafhankelijkheid van Suriname vertrok haar man naar Nederland met de oudste kinderen. Het eigen bedrijf dat zij inmiddels hadden opgericht werd verkocht. Zij volgde in oktober 1978, vlak voor de strenge Nederlandse winter. Tegen haar moeder zei ze: ‘je moet mijn spullen bewaren, want ik kom terug!’.
Maar ze bleef. Voor haar kinderen. Ze vond het belangrijk om hard te werken en haar kinderen naar school te kunnen sturen, zodat hun dochters zelfstandig konden worden. In Nederland maakte ze kantoren schoon. Ze behaalde haar coupeuse-diploma. Haar man deed sociaal werk en hielp Surinamers aan een baan via een uitzendbureau. “Hij legde hen uit hoe ze zich konden inschrijven en hun gezin naar Nederland konden halen rondom de onafhankelijkheid”, zegt ze. “Het was moeilijk daar, iedereen was bang.” Later maakte haar man tv’s bij Philips.

Uit het album van Asambhawatie
Foto: Damion Thakoer
Damions eerste reis naar Suriname, op 21-jarige leeftijd, was met zijn opa en oma. Eerder met zijn vader mee lukte niet. Toen hij zijn eigen ticket kon kopen, besloot hij zelf te gaan. Hij werd “verliefd op het land”. Op de vraag waarop hij precies verliefd werd, antwoordt hij lachend: “Waarop niet?”.
“Op het klimaat, de energie die er in de lucht hangt. De natuur, het eten. De saamhorigheid”, zegt hij. “Ik houd van het Surinaamse nationalisme. Alle etnische groepen leven onder de Surinaamse vlag en iedereen draagt die vlag met trots. Dat zie ik hier niet en daar wel. Daar wordt elkaars cultuur gedeeld. Het eten bijvoorbeeld, je hebt eten uit allerlei soorten keukens, nationale feestdagen worden samen gevierd. En er is een soort van gedeelde pijn. Ik vind het land helemaal niet verpest. Ik ben oprecht van plan om, met Godswil, naar Suriname te mogen gaan forever.”
Hoewel Asambhawatie inmiddels haar draai heeft gevonden in Nederland, begrijpt ze dat haar kleinzoon juist de tegengestelde reis wil maken. Damion is niet de enige, een neefje van haar verhuisde ook. “Er zijn veel mensen daar gebleven of gaan na de pensionering terug.”
Het exacte aantal Surinamers dat vanuit Nederland remigreert naar Suriname is moeilijk vast te stellen, omdat dit niet centraal wordt bijgehouden in de migratiestatistieken. Uit onderzoeken naar de remigratiebeweging blijkt dat de redenen divers zijn. Een beter sociaal klimaat en minder gehaaste levensstijl dan in Nederland. Sterke familiebanden en nostalgische gevoelens voor het geboorteland. De wens om iets te betekenen voor Suriname, vooral onder opgeleide jongeren.
Hoewel Asambhawatie inmiddels haar draai heeft gevonden in Nederland, begrijpt ze dat haar kleinzoon juist de tegengestelde reis wil maken
Damions verlangen om te emigreren komt niet alleen omdat Suriname aan hem trekt, ook omdat hij zich niet langer thuisvoelt in Nederland. Hij is kritisch over de besteding van zijn belastinggeld aan oorlog en “wanbeleid” en hekelt het gebrek aan menselijkheid en empathie. Hij omschrijft Nederland als een plek waar “het teveel draait om geld en werken,” en waar je als burger hard wordt afgestraft voor de kleinste fouten. “Het zijn hier meer robots dan echte mensen met een ziel,” stelt hij.
Zijn gevoel van tweederangsburger te zijn versterkt zijn behoefte om te vertrekken. De mate van discriminatie die hij als kind ervoer en die hij nu nog steeds tegenkomt, laat hem inzien dat hij hier nooit volledig zal worden geaccepteerd. “Ik ben hier geboren,” zegt hij, “ik heb een witte Nederlandse moeder, maar ik voel de afstand tot de witte Nederlandse samenleving.”
Als kind in Veldhoven merkte hij dat hij, als een van de weinige jongens van kleur in zijn klas, vaak buiten de boot viel. Waar zijn Nederlandse klasgenoten wel met elkaar mochten spelen, kreeg hij te maken met afwijzing. Hij herinnert zich een vriendje dat zei: ‘Mijn moeder wil niet dat we met jullie omgaan’.
De Hindostaanse gemeenschap in Eindhoven is klein. Meer leren over zijn cultuur kan eigenlijk alleen bij zijn familie. Damion geniet van de warmte en de heerlijke maaltijden van zijn oma, zij vindt het fijn om voor hem te zorgen. Hij helpt haar met boodschappen, is haar contactpersoon met de thuiszorg en brengt haar naar familie. “Het voelde als een plicht voor mij om haar nog vaker te bezoeken toen mijn opa overleed,” vertelt hij.
Hij merkt op dat zijn oma opleeft als zij in Suriname is. Ze is er twee keer per jaar. “Ze werkt vaak hele dagen in de tuin. Vorig jaar ging ze alleen met de bus naar het centrum om daar de boot te pakken naar Meerzorg. Die zon doet wonderen.”
In Suriname ziet Damion een kans om een nieuw leven op te bouwen. Hij wil met zijn fotografie werk maken met meer inhoud en iets betekenen voor het land. Hij heeft plannen om er eerst een half jaar naartoe te gaan om een professioneel netwerk op te bouwen. Zijn ultieme doel? Een eigen stuk grond met huis hebben en een vrij leven. Hoewel hij zich bewust is van de uitdagingen, zoals corruptie en ongelijkheid, gelooft hij in de potentie van het land. Vol overtuiging zegt hij: “Ik heb meer hoop in Suriname dan in Nederland.”

Grootmoeder en kleinzoon
Foto: Damion Thakoer

